Over de (fiscale) vrijheid van meningsuiting van de belastingadviseur

Hoe vrij is een medewerker van een fiscaal advieskantoor bij het publiceren van wetenschappelijke stukken? Deze vraag staat de afgelopen tijd volop in de schijnwerpers, meest recentelijk in een pittig stuk van Follow The Money (over de benoeming van buitengewone hoogleraren op de UvA). Anna Gunn gaf er laatste een interview over (in mei 2022 verschenen in het Tijdschrift voor Metafiscaliteit en Ethiek).

INTERVIEW

“Ik heb mijn eigen morele kompas. Met de juk van een dubbele pet heeft dat niet zoveel te maken.”

Jij bent al jaren dubbelpetter, o.a. in de combinatie PwC/Universiteit Leiden. Heeft jouw werkgever jou ooit verboden om een stuk te publiceren of een onderwerp aan te snijden?

Nee.

Kon je dan zomaar alles schrijven?

Als belastingadviseur heb je je te houden aan professionële regels en beroepsethiek: geen gegevens van klanten openbaren hoort daar zeker bij. Dit is een begrenzing van de fiscale vrijheid van meninguiting. Is dit erg? Niet altijd. Vanuit ethisch optiek zou ik bijvoorbeeld grote moeite hebben met het lekken van vertrouwelijke gegevens – het schaadt de vertrouwensband met een klant – nog los van de vraag of het lekken überhaupt legaal is. Ik heb een paar keer meegemaakt dat journalisten en NGO’s teleurgesteld waren toen ik niet uit de school wilde klappen over bepaalde, individueel herleidbare zaken. Ik snap het wel, maar ik heb mijn eigen morele kompas. Met de juk van een dubbele pet heeft dat niet zoveel te maken.

Hoe zit het met de informele druk bij publicaties?

Het is waar dat een kritisch fiscaal stuk vragen kan opwerpen bij (con)collega’s. Zeker als het stuk eigenlijk ondermaats is – bijvoorbeeld omdat er te weinig ruimte is voor nuances en tegenargumenten – kan de auteur op push back rekenen. Hier geldt tot op zekere hoogte: wie kaatst kan de bal terugverwachten. Een wetenschapper die niet tegen kritiek kan, doet er beter aan niet te publiceren. Dit gezegd hebbend is kritiek soms disproportioneel of op de man gericht. Dat gaat duidelijk te ver. Uiteindelijk geldt bij informele druk dat deze vooral bepaald wordt door de mate waarin de wetenschapper zich aangesproken, geïsoleerd of bedreigd voelt. Zelf ervaar ik dit niet; mijn stukken (m.n. annotaties) zijn over het algemeen gebalanceerd en redelijk mild. Mijn vakgebied is staatssteun en ik wil mijn lezers, die vaak onbekend zijn met dit vakgebied, gewoon informeren over wat er allemaal gaande is. Misschien ben ik gewoon te saai om de aandacht te trekken.

Is jouw ervaring typerend voor de sector?

Eerlijk antwoord? Geen idee, misschien niet. Dit betekent echter niet dat mijn (door de band genomen positieve) ervaringen mijn mijn oude werkgever niet relevant zijn voor een genuanceerd debat over de dubbele petten. Ik krijg een zeer onaangenaam gevoel van wetenschappers en journalisten, die – gehinderd door letterlijk geen eigen kennis van de fiscale sector – heel vroom weten te melden dat het werk van dubbelpetters nooit onafhankelijk is. Ik snap dat dubbelpetters de schijn inmiddels tegen hebben; de vraag is of deze schijn niet bedriegt. In het belastingdebat heb ik linkse partijen en NGO’s steeds als fellow travellers gezien. In de context van het pettendebat vrees ik echter dat het (op dit moment) publicitair succesvolle narratief van quasi-corrupte belastingwetenschappers nogal dun is. Het lijkt hoofdzakelijk onderbouwd te worden met (a) de veilige constatering (‘men heeft de schijn tegen’) en (b) het flinterdunne ’empirisch’ bewijs van het turven van petten en publicaties. De inhoudelijke analyse blijft achter, maar geen haan die daarnaar kraait: er is immers een “belangrijk probleem aangekaart”. Daar doe ik het niet voor.

In het debat wordt veel waarde toegekend aan een aantal empirische studies naar dubbele petten. Jij doet deze af als “turfologie met beperkte meerwaarde”. Waarom?

Vooropgesteld, het is op zich positief dat mensen de pettendiscussie op basis van feiten willen voeren. Ben ik helemaal voor. De vraag is alleen wat het tellen en rubriceren van stukken waard is. Wat is bijvoorbeeld een “pro-klant” standpunt? Ik weet dat een van mijn annotaties bij een onderzoek als zodanig gekwalificeed is vanwege een observatie dat terugvordering in een bepaalde situatie disproportioneel zou uitwerken. Het is arbitrair en daarnaast leidt dit type empirisch onderzoek naar schijnzekerheid over het probleem, zonder oplossingen te bieden. Wetenschappelijk onderzoek moet gericht zijn op de blinde vlekken van de belastingwetenschap – zoals in het verleden speelde bij staatssteun – en het verhogen van de inclusiviteit en diversiteit. Laten we vooral praten over wat we als maatschappij willen van de belastingwetenschap. Er is meer dan genoeg te doen!

Ben je nog ergens anders boos over?

Ja. Over de dubbelpetters is een landelijk debat op gang gekomen. Deels is men oprecht bezorgd over de kwaliteit van de Nederlandse universiteit; maar de mogelijkheid tot Zuidas-bashen is ook wel lekker. Let wel, ik heb het niet zo op de Zuidas maar het lakse gemak waarmee individuele dubbelpetters onder de bus worden gegooid is adembenemend. Als het de critici serieus gaat om de kwaliteit van de wetenschap, dan moeten ze de pijlen primair richten op de universiteiten zelf. O, en neem dan graag ook de bredere kwesties van diversiteit en inclusiviteit mee. Of verkoop je daar geen kranten mee?

Pffttt… dit is wel erg zuur aan het worden…

Ach, we leven in interessante tijden.

***

Onafhankelijkheid Anna Gunn
Inmiddels ben ik ruim zes jaar werkzaam als onafhankelijke fiscalist, sinds 2021 met een kleine aanstelling aan de Universiteit Leiden. Als iemand het gesprek aan wil gaan over mijn credentials als een onafhankelijke docent/wetenschapper, dan hoor ik dit graag.

About Anna Gunn

Fiscaliste met de specialisaties EU-belastingrecht en fiscale exotica. Geruime praktijkervaring met fiscale staatssteun.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *